Maestro, een stijlvolle regisseuse, wil met haar ‘artiesten’ een spektakel (“Capriccio”) brengen.
Dit gegeven zou niets ongewoons hebben ware het niet dat zowel Maestro als haar “artiesten” deze keer “muziek” zijn. Een Si en een Fa worden rivalen wanneer ze beiden naar dezelfde hoofdrol dingen. Klassieke noten en hitjes, een volkse tango, een koor, de zachtmoedige Pianisssima, de gematigde Moderato, de temperamentvolle Crescenda, de strenge Solfège, dit alles is nog maar een losse greep uit de muzikale equipe die zeer gedreven “het spektakel” voorbereidt.
“Capriccio” verwijst naar “eigenzinnig en grillig”. En zo steekt het stuk ook ineen. Het publiek heeft er soms het raden naar op welk plan een scène zich afspeelt. De bonte kleuren van realiteit en theater wisselen elkaar af en mengen zich gretig, soms onvoorspelbaar tot een kleurig schouwspel waarin alle stukjes uiteindelijk toch op de juiste plaats vallen.